Tijdens een tumultueuze vergadering van een commissie van de gemeenteraad moest het college een plan voor het verkoop van vier in onbruik geraakte gemeentelijke panden te verkopen, intrekken. 

De afgelopen weken zijn zowel de omwonenden als de gemeenteraad onaangenaam verrast door plannen van het college om niet alleen enkele in onbruik geraakte gemeentelijke panden te verkopen, maar ook – als onderdeel van de verkoopstrategie – een schets te geven van de mogelijkheden voor een potentiele koper.

Deze mogelijkheden werden gepresenteerd in de vorm van een startnotitie, die – anders dan de naam doet vermoeden – niet het vertrekpunt schetste, met vandaar uit de mogelijke routes, maar een eindpunt schetste waar een koper zich op zou richten.

Nu is het natuurlijk wel zo, dat de bestemming van een perceel de waarde bepaalt. Een pand met een maatschappelijke bestemming kan en mag alleen maar voor dat doel gebruikt worden: onderwijs, cultuur, welzijn, sociaal, medisch, etc. Wanneer echter de bestemming “wonen” is, kan het perceel opeens een tienvoud opleveren.

Echter, bij het wijzigen van een bestemming horen heel duidelijke spelregels met betrekking tot de inspraak van alle betrokkenen. Dit had het college nagelaten, met als argument, dat er nu slechts over de verkoopstrategie gesproken werd en dat de “startnotities” geen status hadden. Maar wat zou er gebeurd zijn, wanneer een koper zich zou aandienen met een goed bod en een plan dat gelijk zou zijn aan de geschetste situatie in de startnotitie? Is het dan nog denkbaar dat de bestemmingsplanwijziging niet meer doorgaat? Nee toch! Niet zonder hoge schadevergoeding en een terug naar af voor het college.

Oké, beter ten halve gekeerd. Maar wat het meeste steekt, is de onvoorstelbare naïviteit van het college om te denken dat deze aanpak in goede banen te leiden is. De kosten die gemaakt zijn, de tijd die er aan besteed is, de emoties die los gemaakt zijn en het vertrouwen dat beschadigd is.